Een bijzondere vriendschap
Jozef Israëls en Hendrik Willem Mesdag

17 oktober 2003 t/m 4 januari 2004

"Hoe dikwijls reeds heb ik met volle bokalen Uw gezondheid gedronken in feestlijke zalen Hoe dikwijls met U heb ik feesten gevierd En woorden gesproken zoo bloemrijk versierd";

Deze woorden werden door "Uwen U toegenegen vriend Jozef Israëls" gesproken op het feest ter gelegenheid van het Gouden Huwelijk van Hendrik Willem Mesdag en Sientje Mesdag-van Houten op 23 april 1906. Jozef Israëls (1824-1911) en Hendrik Willem Mesdag (1831-1915) kenden elkaar op dat moment al meer dan zestig jaar.

Beide schilders werden geboren in Groningen en ontmoetten elkaar in hun jeugd. Hun vriendschap hernieuwde en verstevigde zich toen Israëls in 1871 naar Den Haag verhuisde. Mesdag koos twee jaar eerder de hofstad als vaste woonplaats. Zowel Mesdag als Israëls zouden in Den Haag uitgroeien tot succesvolle en toonaangevende schilders van de befaamde Haagse School.

Daarnaast waren ze ook zeer actief in het Haagse kunstleven. Beiden waren afwisselend voorzitter van de kunstenaars- vereniging Pulchri Studio, die zij door hun vele activiteiten en bemoeienissen nieuw leven inbliezen. Samen met andere schilders van de Haagse School, Johannes Bosboom, Jacob en Willem Maris, Anton Mauve en Bernard Blommers, richtten zij in 1876 in Den Haag De Hollandse Teeken-Maatschappij op, ter bevordering van de aquarel.

Aan deze belangrijke figuren uit het Haagse kunstleven van meer dan 130 jaar geleden is een kleine tentoonstelling gewijd in Museum Mesdag van 17 oktober 2003 tot en met 4 januari 2004.

De Groningse jaren
Beiden kwamen uit gegoede burgerlijke kringen in Groningen. Mesdags vader was bankier, die van Israëls een kleine commissionair in effecten. Hun vaders kwamen om zakelijke redenen bij elkaar over de vloer. Op één maand na scheelden de latere kunstschilders zeven jaar. De oudere Jozef Israëls begon veel eerder met de opleiding van kunstenaar dan Mesdag. Vanaf september 1835 volgde hij lessen aan de Academie Minerva in Groningen, een jaar later ontving Israëls privéles van de portret-schilder Jan Joeke Gabriël van Wicheren [1808-1897] en in 1838 ging hij lessen volgen bij Cornelis Bernardus Buys [1808-1872] Israëls, die eigelijk zou leren voor rabbijn, bleek een waar kunstenaarstalent en schilderde in 1836, op twaalfjarige leeftijd, al een vaardig portret van een joodse man met het tegenwoordig verdwenen en onbekende beroep van pijpendoppenkoopman. Ook Mesdag volgde lessen in tekenen en schilderen bij Buys, maar vermoedelijk begon hij hiermee niet op zevenjarige leeftijd. Het is dus niet waarschijnlijk dat Israëls en Mesdag gelijktijdig bij Buys tekenles hebben gehad. Mesdag tekende, zoals zoveel beginnende kunstenaars, eerst prenten na en volgens de overlevering begon hij hiermee rond zijn twaalfde jaar. In dat jaar, 1843, woonde Israëls al een jaar in Amsterdam en werkte hij op het atelier van de bekende schilder Jan Adam Kruseman [1804-1862]. In 1843 deed Israëls toelatingsexamen voor de Koninklijke Akademie te Amsterdam en nam deel aan zijn eerste tentoonstelling bij de kunstenaarsvereniging Pictura te Groningen.

Verschillende carriëres - Jozef Israëls
Jozef Israëls studeerde vanaf juni 1843 aan de Akademie te Amsterdam waar hij lessen volgde van onder andere de historieschilder Jan Willem Pieneman (1779-1853) en de beeldhouwer Louis Royer [1793-1868]. Hij doorliep het klassieke programma aan de academie en verwierf met een tekening naar een gipsen beeld zijn eerste erkenning en won hiermee een bronzen medaille. Tussen 1844 en 1847 verbleef Israëls in het mekka van de moderne kunst in de negentiende eeuw: Parijs. Terug in Amsterdam studeerde hij verder bij Kruseman en Pieneman en legde hij zich, evenals zijn leermeesters, toe op de historieschilderkunst. In 1851 ging zijn officiële carriëre als kunstenaar van start met het lidmaatschap van de Koninklijke Akademie te Amsterdam. Een omslag in de keuze van zijn onderwerpen kwam in 1855 toen hij twee maanden in Zandvoort verbleef om te herstellen van een reumatische aandoening. Hij werd in het vissersdorp niet alleen getroffen door de schoonheid van strand en zee, maar ook door het eenvoudige leven van de arme, doch nobele vissers. Het vissersgenre kende rond 1850 al een zekere populariteit, zowel in de beeldende kunst als de literatuur. Ook bezochten een groeiend aantal welgestelde mensen de kust en haar vissersdorpen om er te kuren. Zij kwamen onder de bekoring van de eenvoudige vissers en waren onder meer de kopers van de schilderijen met deze thematiek. Een van Israëls eerste schilderijen met de vissers als onderwerp, Langs moeders graf uit 1856, verwierf veel lof. Men prees zowel de dramatiek als de monumentaliteit van de voorstelling. Het was ook een bijzonder groot werk voor een genrevoorstelling [224 x 178 cm, zonder lijst]. De keuze voor het thema alsmede de grote uitvoering ervan doet denken aan de realistische schilderkunst van de Franse schilders uit de school van Barbizon. Net als Jean François Millet [1814-1875] koos Israëls voor het uitbeelden van het eenvoudige leven van een arbeider en net als Gustave Courbet [1819-1877] zocht hij hiervoor monumentale afmetingen die voorheen bestemd waren voor statieportretten ten voeten uit, historische, mythologische of bijbelse taferelen. Behalve in Nederland wist Israëls ook succes in het buitenland te verwerven. Zo ontving hij op de Parijse Salon van 1861 een eervolle vermelding. De verkoop van zijn schilderijen deed dit geen kwaad en hij kon zich in 1863 een redelijk succesvol schilder noemen. In dat jaar trouwde hij met Aleida Schaap. De volgende jaren zette de stijgende lijn in Israëls carriëre zich voort. In 1871 besloot hij Amsterdam te verlaten voor Den Haag, dat op dat moment een belangrijk artistiek centrum was geworden met zowel een groot aantal kunstenaars als kunstminnaars die de realistische schilderkunst aanhingen.

Verschillende carriëres - Hendrik Willem Mesdag
Hendrik Willem Mesdag was zich na het vertrek van Israëls uit Groningen in 1842 wel door privélessen in de schilderkunst blijven bekwamen, maar hij koos aanvankelijk voor een geheel andere professionele carriëre. Hij trad in zijn vaders voetsporen als bankier in Groningen en trouwde zes jaar later met de kunstminnende Sientje van Houten. De wens kunstenaar worden, groeide echter meer en meer. In 1866 overleed Sientjes vader en de erfenis stelde Mesdag in staat voor het kunstenaarsschap te kiezen. Hierin werd hij gestimuleerd door Sientje, die zich ook was gaan bekwamen in het schilderen. Het feit dat Mesdag zich voor advies wendde tot zijn neef, de destijds al bekende schilder Lourens Alma Tadema [1836-1912] en bijvoorbeeld niet tot Jozef Israëls, gaf aan dat de Groningers elkaar uit het oog verloren waren. Mesdag volgde de raad van zijn neef op en vestigde zich te Brussel, waar hij lessen nam bij de landschapschilder Willem Roelofs [1822-1897]. Die gaf Mesdag het advies alleen naar de natuur te schilderen en niets anders. De eerste schilderijen van Mesdag zijn ook werkelijk gezichten uit het raam: van de tuin achter zijn huis of de stratenmakers voor zijn deur. Pas tijdens een vakantie in 1868 in het Noord-Duitse Norderney koos hij voor een onderwerp dat zijn verdere kunstenaarsloopbaan zou beheersen. Deze kustplaats was voor Mesdag een ware ontdekking. Zee en strand, dat waren de onderwerpen die hij voortaan wilde schilderen. Deze waren echter te ver van zijn atelier in Brussel verwijderd om dagelijks te kunnen bestuderen, zodat het echtpaar Mesdag in 1869 verhuisde naar Den Haag. Een jaar later won Mesdag op de toonaangevende Parijse Salon een gouden medaille voor zijn schilderij De golven van de Noordzee. Hierop nam zijn loopbaan als kunstschilder een grote vlucht.

De Haagse School
Den Haag was het artistieke centrum van de realistische schilderkunst. De term Haagse School werd voor het eerst in 1875 gebruikt door de kunstcriticus Jacob van Santen Kolff. De schilders van de Haagse School gingen uit van het realistische landschap maar wilde dit niet exact kopiëren. Veel belangrijker voor hen was de stemming die de natuur, een landschap of een zeegezicht, bij hen opriep. Die wilden zij vastleggen in hun tekeningen en schilderijen. Zoals de schilder Gerard Bilders, één van de grondleggers van de Haagse School, het verwoordde: "Het is mijn doel niet, een koe te schilderen om de koe, noch een boom om den boom; het is om door het geheel een indruk te weeg te brengen, dien de natuur somtijds maakt, een grootschen, schoonen indruk". De meeste schilders die deze theorie aanhingen,- onder wie Anton Mauve, Jacob en Willem Maris, Johannes Bosboom, Mesdag en Israëls, woonden rond 1870 -in het toen nog veel "groenere" Den Haag. Deze was één van de laatste Nederlandse grote steden die in de negentiende eeuw [pas rond 1880] ging uitbreiden. Hierdoor behield de Hofstad lang haar landelijke karakter. Juist dit aspect trok de schilders van de Haagse School aan. Toen de stad toch nieuwe wijken in de natuur ging bouwen, verlieten de meeste kunstenaars haar dan ook onmiddellijk. Zij vertrokken naar meer landelijke oorden, waaronder het noordelijker gelegen vissersdorp Katwijk en het plattelandsdorp Laren, om hier het onbedorven landschap en pittoreske leven van de eenvoudige vissers- en boerenbevolking te kunnen schilderen.

Een hernieuwde kennismaking en Pulchri
Mesdag en Israëls bleven tot aan hun dood in Den Haag wonen. Hun beider carriëres verliepen voorspoedig en de waardering voor hun werk groeide zowel nationaal als internationaal. Een van de belangrijke ontmoetingsplekken voor kunstenaars in Den Haag, waar waarschijnlijk ook Israëls en Mesdag elkaar weer ontmoet hebben, was de kunstenaarsvereniging Pulchri Studio, kortweg Pulchri genaamd. Beide kunstenaars sloten zich aan bij deze belangrijke vereniging. Aan het begin van de tweede helft van de negentiende eeuw verminderde de overheid de steun voor de eigentijdse kunst. Kunstenaars, meer onzeker van hun bestaan, sloten zich aaneen in kunstenaarsverenigingen zoals Arti et Amicitiae in Amsterdam [1839] en Pulchri Studio in Den Haag [1847]. Deze kunstenaarsverenigingen waren zeer actief en droegen bij aan een bloeiend kunstleven in beider steden. Ze organiseerden niet alleen tentoonstellingen en evenementen van en voor werkende leden, maar lieten ook niet-werkende leden toe. Deze niet-werkende, kunstlievende leden genaamd, waren vanzelfsprekend in kunst geïnteresseerden en potentiële kopers van de kunst der werkende leden. Hiertoe organiseerden de kunstenaarsverenigingen naast de tentoonstellingen ook kunstbeschouwingen en lezingen over kunst door de werkende leden, Verder organiseerden zij meer informele avonden zoals feesten, gekostumeerde bals, diners en de zogenaamde "gezellige bijeenkomsten". Het bleek een succesvolle wijze om kunstschilders en verzamelaars in een ongedwongen sfeer samen te brengen. Zowel Mesdag als Israëls speelden een belangrijke rol binnen Pulchri. Beiden waren afwisselend een tijd voorzitter en droegen in belangrijke mate bij tot het internationale succes van de leden en waren verantwoordelijk voor een groot aantal tentoonstellingen. Daarnaast werden er onder hun leiding vele feesten georganiseerd. Jubilea van verschillende leden en ere-feesten konden een aanleiding vormen voor een diner of feest, maar ook verscheidene gekostumeerde bals hebben de beide vrienden georganiseerd. Enkele nagelaten foto’s tonen hoe plezierig die tijden moeten zijn geweest. Mesdag zorgde ook voor de verhuizing naar plek waar Pulchri nog steeds te vinden is aan het Lange Voorhout 15. Daarnaast richtten zij samen met enkele andere kunstenaars De Hollandsche Teekenmaatschappij op om de aquarel, die in het buitenland steeds meer aan populariteit won, ook in Nederland meer onder de aandacht te brengen. Hiertoe organiseerden zij tentoonstellingen en gaven reproducties naar hun aquarellen in lithografieën uit.

Dikke vrienden
Er rest ons weinig correspondentie tussen de vrienden Israëls en Mesdag. Zeer waarschijnlijk is dat te wijten aan het feit dat zij elkaar vanaf 1871 tot aan de dood van Israëls in 1911 bijna dagelijks zagen. Er was vanzelfsprekend veel te bespreken tussen de beiden Groningers: hun kunst en die van hun tijdgenoten, al dan niet gezamenlijke tentoonstellingen in Nederland en het buitenland, de verkoop van hun werk in de kunsthandels en allerlei activiteiten voor de kunstvereniging Pulchri en De Hollandsche Teekenmaatschappij. Beide heren maakten zich ook sterk voor jongere kunstenaars die zij met raad en daad terzijde stonden. Waarschijnlijk klikte het meteen weer tussen de beide heren in 1871 met hun hernieuwde kennismaking, want een jaar later schilderen ze elkaars portret uit vriendschap. Beide portretten maten oorspronkelijk 70 x 50 cm, maar Israëls was niet tevreden met het resultaat en vergrootte het door hem geschilderde portret van Mesdag. Het is een mooi portret van Mesdag, die toen ongeveer veertig was. Mesdag voegde het werk toe aan zijn groeiende collectie schilderijen. Diens portret van Jozef Israëls was beduidend minder van kwaliteit. Mesdag was duidelijk geen portretschilder. Lange tijd verbleef dit portret in particuliere collecties, tot de laatste eigenaar de heer Johan Poort, het in langdurig bruikleen afstond aan het Van Gogh Museum te Amsterdam. Daar Museum Mesdag onder de verantwoording van dit museum valt, is het tegenwoordig in dit Haagse museum te bewonderen en zijn de beide vriendschapsportretten na meer dan 130 jaar weer samen. Daarnaast schonk Israëls zijn vriend een sober, maar teder portret van Sientje Mesdag-van Houten van zijn hand in 1906, ter gelegenheid van haar vijftigste huwelijksdag met Mesdag. Mesdag kocht zelf een aantal schilderijen van zijn vriend Jozef Israëls waaronder het prachtige grote doek Alleen op de wereld uit 1880-81. Hij kocht het niet bij de kunstenaar zelf maar van de kunsthandel Goupil te Den Haag voor maar liefst f 10.000,--, een enorm bedrag voor die tijd. Het schilderij was moeilijk te verkopen. Mogelijk omdat het te droevig was, opperde Israëls. Wellicht wilde Mesdag zijn vriend helpen door het te kopen. De internationale waardering voor het werk zou ook een rol gespeeld kunnen hebben bij de aankoop. Mesdag verzamelde vanaf 1870 schilderijen van Nederlandse tijdgenoten en van zijn grote voorbeelden, de Franse schilders van de School van Barbizon, onder wie Millet, Rousseau, Daubigny, Corot en de realist Courbet. Door zijn verzamelwoede groeide de collectie schilderijen zo snel dat de muren van zijn woonhuis te klein bleken. In 1887 liet hij een speciaal museum voor zijn collectie naast zijn woonhuis bouwen. Hier kreeg het grote doek van Israëls een goede plek en kocht Mesdag nog enkele belangrijke stukken van Israëls’ hand. Tevens kocht hij een van de eerste schilderijen van Jozefs getalenteerde zoon Isaac Israëls, getiteld De oefening uit 1881. De waardering voor elkaars werk was er zeer zeker en beiden zochten te Scheveningen inspiratie voor hun schilderijen, maar van een directe beïnvloeding is geen sprake of het moet de steeds lossere penseelstreek zijn die beide schilders met het klimmen der jaren gingen gebruiken. Ondanks alle overeenkomsten, waren ze ook zeer verschillend. Alleen het onderscheid in hun postuur, dat sterker werd met de tijd, was opvallend. Jozef Israëls was een kleine, magere man die alleen maar leek te krimpen en in elkaar te zakken met zijn hoge schouders en kromme rug. Mesdag was al vroeg een blozende, wat forse man die genoot van al het goede van het leven. Zijn gewicht nam toe met zijn leeftijd. De fraaie tekening van Benjamin Prins van circa 1890 toont met milde spot hoe opvallend het duo moet zijn geweest. De beiden vrienden bezoeken een tentoonstelling te Pulchri, waar ze juist een geëxposeerd werk van Israëls gepasseerd zijn.

Vrienden voor het leven
De twee vriendschapsportretten, wat foto’s, enkele brieven en de tekening van Benjamin Prins zijn alles wat ons nog rest van die innige, dikke vriendschap tussen twee Groningse jongens, die eigenlijk rabbijn en bankier moesten worden. Ze kozen echte voor het kunstenaarsschap en ontwikkelden zich tot twee van de meest succesvolle kunstenaars van hun tijd. Ze speelden een belangrijke rol in de nationale, maar vooral Haagse, kunstwereld aan het einde van de negentiende eeuw.

Maartje de Haan [Conservator/manager Museum Mesdag]

Voor meer informatie:
Dieuwertje Dekkers, Jozef Israëls 1824-1911, Zwolle 2000
Johan Poort, Mesdag [1831-1915], Life and Work, Wassenaar 1992

De tentoonstelling wordt gesponsored door Epson en door Hulshof makelaars.

NAAR BOVEN


2 september 2003 t/m 4 januari 2004
Vlees, vis groenten en fruit in Museum Mesdag

Eetcultuur belicht in de vaste collectie

Museum Mesdag aan de Laan van Meerdervoort in Den Haag is één van de best bewaarde geheimen van de Nederlandse museumwereld, ten onrechte. In dit museum is een prachtige collectie schilderijen te zien van Franse en Nederlandse meesters uit de negentiende eeuw, werken uit de rijke verzameling van de schilder Hendrik Willem Mesdag (1831-1915) en zijn vrouw Sientje Mesdag-van Houten (1834-1909), die samen schilderijen, tekeningen en (kunst)voorwerpen bijeen brachten.

Om de vaste collectie voor het publiek prikkelend te houden, organiseert Museum Mesdag speciale presentaties door de vaste collectie heen waarbij een kleine groep schilderijen uit de collectie apart wordt belicht. In de herfst van 2003 staat deze presentatie in het teken van de eetcultuur naar aanleiding van de evenementen die de Nederlandse Museumvereniging organiseert rond dit thema.

Vaak worden vis, vlees, groenten en fruit in stillevens samen met eet- en drinkgerei geschilderd. Dit is een apart genre in de schilderkunst. De schilder trachtte met zijn technische vaardigheden te schermen door zo realistisch mogelijk zijn voorwerpen na te schilderen alsof deze van het doek konden worden geplukt. Een goed voorbeeld zijn de als van oudsher als moeilijk na te schilderen druiven met hun afwisselend transparante en doffe velletje. Daarnaast bevatten in de zeventiende eeuwse stillevens talloze symbolistische verwijzingen, die de beschouwer opriepen tot matigheid en contemplatie.

In de negentiende eeuw veranderde het weergeven van stillevens enigszins. De symboliek verviel en schilders, onder wie Gustave Courbet (1819-1877), speelde met de veel oudere traditie van het stilleven. Zo schilderde hij een dood hert terug in de open natuur van het bos in een houding die voorheen enkel aan een muur of op tafel in een (keuken)interieur werd verbeeld.

Opmerkelijk in de 19de eeuw is verder de levendigheid van de toch uit dode onderdelen bestaande stillevens. Die levendigheid werd niet alleen verkregen door een vlotte, schetsmatige wijze van schilderen, maar ook door het gebruik van felle kleuren en verrassende arrangementen. Hoewel wellicht minder aantrekkelijk voor de vegetariërs onder ons, zijn het vaak schilderijen om werkelijk trek van te krijgen.

Meestal was de stillevenschilderkunst in deze eeuw het domein van de kunstenares. Stillevens van bloemen en etenswaar waren een veilig onderwerp voor vrouwen die op de academies geen lessen konden volgen in modeltekenen en schilderen naar naakt model.

In Museum Mesdag is een aantal zeer fraaie stillevens met vooral vlees, vis en fruit te bewonderen, van zowel Nederlandse als Franse kunstenaars en kunstenaressen, bekend en vergeten.

NAAR BOVEN